Verklarende woordenlijst
Adenofibroom. Goedaardige tumor op een klier zoals de borstklier. Anemie. Daling van de hoeveelheid hemoglobine, een bloed eiwit dat de zuurstof transporteert, die gepaard gat met een daling van het aantal rode bloedlichaampjes. Arimidex: Hormonaal geneesmiddel dat het aromatase enzym remt; wordt gebruikt bij hormoongevoelige borstkankers om het aantal vrije oestrogenen te verminderen. Aromasin. Hormonaal geneesmiddel dat de werking van het aromasin enzym uitschakelt. Wordt gebruikt tegen hormoongevoelige kankers want het reduceert het aantal oestrogenen in vrije radicalen. Biopsie. Afname met een naald of tijdens een heelkundige ingreep van een klein deeltje van een orgaan of van een hele tumor teneinde microscopisch de afwijkingen van de cellen en de structuur van het weefsel te analyseren. Catheter. Plastic buije dat in een ader geschoven wordt om de intraveneuze toediening van medicamenten vergemakkelijken. Chemotherapie. Elke behandeling met chemische bestanddelen. De term wordt vooral gebruikt om bepaalde medicamenteuze behandelingen tegen kanker aan te duiden die ofwel via de mond, ofwel intraveneus toegediend worden. Echographie. Een techniek waarmee de bepaalde volle organen of pathologische processen in beeld kunnen worden gebracht dank zij de echo’s van ultrageluiden voorkomend uit een bron buiten het organisme. Femara. Hormonaal geneesmiddel dat het aromatase enzym afremt. Het wordt gebruikt tegen hormoongevoelige borstkankers. Want het vermindert het aantal vrije oestrogenen. Hormoon. Een bestanddeel aangemaakt door een klier en vervoerd in het bloed dat op een doelorgaan of –weefsel stuurt en de functies ervan controleert. Dat kan omdat deze orgaan of weefsels voorzien zijn van specifieke cellenreceptoren. Hormoontherapie. Behandeling op basis van hormonen. Immuniteit. Het geheel van verdedigingsmiddelen van het organisme tegen vreemde elementen. Kyste. Goedaardig gezwel, goed afgescheiden door een schoon omhulsel. Ze bevat meestal een vloeistof. Lymf. Kleurloze vloeistof bestaande uit plasma en leukocyten die een essentiële rol speelt in het verweersysteem van het organisme. Het gaat om een tweede omloop die alle weefsels bevloeit en uitmondt in het venensysteem. Lymfatische klier. Ophoping van lymfeweefsels. De lymfklieren spelen een belangrijke rol in de verdediging van het organisme, vooral tegen microben Lymfatisch vat. Vat waarin de lymf vloeit. Lymfocyt. Variëteit van witte bloedlichaampjes aanwezig in het bloed, het beenmerg, de milt en de klieren. Speelt een essentiële rol in de bescherming van het organisme. Mammografie. Radiografie van de borsten waardoor enkele millimeter grote letsels kunnen ontdekt worden. Mastectomie. Verwijderen van een borst. Moedertumor. De aanvankelijke tumor wat veronderstelt dat er uitzaaiingen hebben plaatsgevonden en dat het dus priori om een kankertumor gaat. MRI (magnetic resonance imaging, beeldvorming door magnetische resonantie). Beeldtechniek waarin magnetische velden gekoppeld aan een computer gebruikt worden, zonder inzet van RX. De verkregen beelden zijn vaak beter dan een scanner, maar wel duurder. Oestrogenen. Door de eierstokken cyclisch gesynthetiseerde en dan uitgestoten hormonen. De oestrogenen zijn de hormonen van de vrouwelijkheid en staan in voor de ontwikkeling van de seksuele eigenschappen tijdens de puberteit. Hun fysiologische werking tijdens de maandcyclus richt zich vooral op de baarmoederhals, op het slijmvlies van de baarmoeder en op de borsten (ontwikkeling van de melkkanaaltjes). Oncoloog. Een arts gespecialiseerd in de opsporing en behandeling van tumoren. Radiotherapie. Therapeutische toepassing van X- stralen tegen diverse aandoeningen waaronder kanker. Scanner. Apparaat om de grafische voorstellingen van doorsneden van het menselijk lichaam door de tomografie te koppelen aan de computer. De tomografie is de radiologische techniek die de styudie mogelijk maakt van één enkel doorsnedenvlak. De computer reconstrueert het beeld op basis van de dichtheid tegenover X- stralen van elk punt. Secondaire tumor. Uitzaaiing. Tamoxifeen. Hormonaal geneesmiddel, anti- oestrogeen genoemd omdat het geschikt is om de werking van oestrogenen tegen te gaan. Taxol. Zeer actieve chemotherapeutische agens tegen borstkanker, verkregen van uittreksels van de taxus- plant. Taxotère. Zeer actieve chemotherapeutische agens tegen borstkanker op basis van synthetisch aangemaakte moleculen. Tumorectomie. Heelkundig verwijderen van een tumor. Tumorrecidief. Herontstaan van een tumor bij een persoon bij wie al kanker was ontstaan en die genezen werd beschouwd. Uitzaaiing. Tumoraal en besmettelijk pathologisch proces gesitueerd op vlak van een ander orgaan dan dit dat aanvankelijk aangetast was. Vrije radicaal. Een chemisch element zoals atoom, ion of molecule dat ontspoord raakt door de abnormale aanwezigheid van een ongebonden elektron op de buitenlaag en dat zeer snel reageert op andere moleculen zoals de lipiden.
|